Blog

30 januari 2012

Ko Colijn: Race om grondstoffen

De beste nationale strategie is geen nationale strategie, maar een gezamenlijke.

Je hebt mensen die geloven dat oorlogen om godsdienst gaan, om etniciteit, om voedsel, om ideologie, om de macht zelf, en je hebt mensen die vinden dat het uiteindelijk allemaal om rijkdom gaat. Aan het eind van de vorige eeuw waarschuwde Samuel Huntington voor een clash of civilizations, de War on Terror veronderstelde een clash tussen fanatieke islamterroristen en seculiere westerse staten. En nu mag je het weer over een race om grondstoffen hebben.

Helemaal onlogisch is dat niet. De wereld wordt multipolair, nieuwe grootmachten melden zich, oude raken in de knel, de toegang tot bekende (olie) en onbekende (neodymium) grondstoffen wordt opnieuw verdeeld. En desnoods bevochten. Oude mercantilisten vonden dat landen alles in het werk moesten stellen om zoveel mogelijk goud en deviezen te verdienen, want daar konden ze oorlog mee financieren. Door een gewonnen oorlog zou je je weer veiliger voelen, zo was de gedachte, maar een handige strategie was het niet, want als iedereen er zo over denkt, is het altijd overal oorlog.

Op een gegeven moment begon men te snappen dat niet iedereen tegelijk een handelsoverschot kan nastreven. Maar helemaal afgezworen is de nationale reflex nog niet. Want probeer maar eens aan die logica te ontsnappen als anderen de verleiding van het economisch nationalisme ook niet kunnen weerstaan. Marxistische boeken die op mijn boekenplank staan te vergelen leggen uit dat kapitalistische staten niet eens de keuze hebben, maar niet anders kunnen. Ze zijn van nature expansief en komen elkaar tegen als rivalen op verre afzetmarkten en wingebieden voor grondstoffen.

In 1969 schreef Harry Magdoff zijn bestseller The Age of Imperialism. Hij ging nog een stapje verder dan Lenin. De buitenlandse politiek van de VS kon helemaal verklaard worden uit de drive om zich van noodzakelijke grondstoffen te verzekeren. Want die waren een levensvoorwaarde voor de economie, enzovoort. In die jaren stampten we erin dat ‘neo-imperialisme de noodzakelijke voorwaarde was voor de reproductie van het kapitalisme’ om te slagen voor het tentamen Theorieën van Buitenlandse Politiek. Revisionisten als het echtpaar Joyce en Gabriel Kolko meenden zelfs dat de Koude Oorlog ervoor was uitgevonden in Washington.

Meer relaxte theorieën waren er natuurlijk ook – je moest het buitenlands beleid vooral niet zien als een voorgeprogrammeerd systeem, maar als de uitkomst van honderden belangen die zich door de instituties worstelen en uiteindelijk iets opleveren wat we ‘buitenlandse politiek’ noemen. Maar relaxt of niet, links of rechts, altijd doken die grondstoffen wel weer ergens op.

Of het nou is om oorlog te vermijden, of positiever uitgedrukt, om welvaart te bevorderen, alle theorieën leiden eigenlijk tot de conclusie dat nationale strategieën vroeg of laat tot problemen leiden. De enige nationale strategie die ‘sensible’ is, is de erkenning van die waarheid als een koe. De beste nationale strategie is eigenlijk het zoveel mogelijk bevorderen van het tegendeel, de strategie van de collectieve actie.

Het kabinet-Rutte voert economische diplomatie hoog in het vaandel. Een nationale economische diplomatie? Ambtenaren en diplomaten halen een beetje hun schouders op: dat doen we toch al jaren? De ambassadeursconferentie brainstormt deze week over een ‘nationale grondstoffenstrategie’. Maar ook hier: de beste nationale strategie is geen nationale strategie, maar een gezamenlijke. Zelfs supermachten hebben de grootste moeite om zich onafhankelijk te maken van buitenlandse grondstoffenleveranciers. Importbeperkingen (staal of halfgeleiders, onder Reagan) en export beperkingen (China nu, zeldzame aardmetalen) hebben meestal maar een paar jaar effect. De prijzen gaan omhoog, nieuwe mijnen worden rendabel, de markt herstelt zich, probleem voorbij.

Precies dertig jaar geleden sloeg de westerse wereld alarm over de afhankelijkheid van schaarse buitenlandse grondstoffen. De drie sterkste economische blokken, de VS, Japan en de (huidige) EU waren voor vijftig procent of meer importafhankelijk van bauxiet, koper, nikkel, zink, tin, kobalt, ijzererts, mangaan en chroom. Het is allemaal goed gekomen omdat nationale strategieën niet werkten, sterker nog: niet bepleit werden. Verplichte literatuur in die jaren was The Rise of the Trading State van Richard Rosecrance. ‘Als regeringen zich (toen, KC) hadden gecommitteerd aan het verminderen of uitschakelen van die afhankelijkheid van elkaar, zou het netwerk van economische banden conflicten juist in de hand gewerkt hebben.’ Helaas is het tegenwoordig weer verleidelijk om te denken dat het tegendeel waar is.

4 reacties op “Ko Colijn: Race om grondstoffen”

  1. ラッシュガード レディース…

    水着 激安 ブランド…

  2. 水着 ショップ…

    水着 通販 楽天…

  3. ロキシー ラッシュガード…

    rush guard…

  4. Tory Burch 財布 人気 レディース…

    クロックス ジョージー…

Geef een reactie

Aanmelden voor nieuwsbrief

* = verplicht veld
Voorkeur