Blog

6 februari 2012

Ko Colijn: Over Koen Koch

Wat zou columnist Koen Koch van de argumenten van de huidige regering hebben gevonden?

In het rijke leven van de op 21 januari veel te vroeg overleden Koen Koch was ook plaats voor zeven gelukkige jaren waarin Vrij Nederland wekelijks van zijn pen kon profiteren. Op 24 november 1979 schreef hij zijn eerste column ‘Over Politiek’, op 29 november 1986 zijn laatste.

Gelukkig voor dit blad in de eerste plaats, omdat scherp denken, goed schrijven, superieure kennis en een bedachtzame realiteitszin in hem aanwezig waren. Die eigenschappen, gevoegd bij zijn bescheidenheid en vriendelijkheid, maakten hem ook als docent politicologie geprezen en geliefd.

In de koele ontleding van het politieke bedrijf liet de realist in Koch alle ruimte voor de factor machtspolitiek. Als hij zich opwond, was het over naïviteit en ontkenning van de machtsfactor. En nog méér over valse naïviteit en hypocrisie in het politieke discours. Want de clinicus Koch redeneerde wel machtsrealistisch, maar altijd vanuit principes van rechtvaardigheid, oprechtheid en afkeer van geweld – idealen die in de politiek wel eens aan ‘realistische oplossingen’ plegen te worden opgeofferd.

In zijn eerste column voor VN maakte Koen Koch zich kwaad over PvdA-coryfee Piet Dankert, die zojuist het Haagse pluche had verruild voor een zetel in het Europees Parlement. Dat was in 1979 net voor het eerst direct gekozen, maar zeker toen nog een tandeloze tijger. Dat was de door de wol geverfde Dankert blijkbaar ontgaan, want eenmaal gearriveerd in Straatsburg ‘ontdekte’ hij dat Europarlementariërs niets te vertellen hadden, behalve dat ze soms eventjes ritueel mochten meepruttelen over de zwaar gesubsidieerde Europese boterberg en melkplas.

Hij begon een hopeloze kruistocht die Koch in het verkeerde keelgat schoot. Onoprecht, misleidend en weinig geloofwaardig vond hij Dankerts campagne, als hij zich beter had voorbereid, had hij geweten dat het Europees Parlement een flutparlement was. Een campagne tegen de overproductieve boeren was gratuit en misleidend, een goedkoop alibi ‘ter maskering van zijn eigen parlementaire onmacht’, en krokodillentranen daarover waren volksverlakkerij. Koen Koch maakte zich boos over die hypocrisie: doen alsof je democratisch verontwaardigd was, terwijl je best wist dat de machtsverhoudingen, en niets anders, ervoor hadden gezorgd dat het EP nooit meer dan een ‘coiffure parlementaire’ (de woorden van Paul-Henri Spaak) mocht worden.

In zijn laatste column voor VN wond Koch zich op over een andere vorm van onoprechtheid. ‘Ik ben steeds weer verbijsterd over de ongelooflijk stumperige manier waarop zaken met de oorlog samenhangende worden afgehandeld.’ Aanleiding was de discussie over het recht op pensioen voor volksvertegenwoordigers in het algemeen en de foute weduwe Rost van Tonningen in het bijzonder. Voorstanders bedienden zich van het argument dat de beginselen van de rechtsstaat en verworven rechten zwaarder moesten wegen dan emoties. Ja, mensen die vonden dat zwarte weduwes hun pensioenrecht hadden verspeeld (en dat naoorlogse toekenningen teruggedraaid moesten worden), werd zelfs verweten het niet zo nauw met de rechtsstaat te nemen. Een gotspe en een ‘meer dan valse tegenstelling’ vond Koch, omdat het juist tot de beginselen van de rechtvaardigheid behoorde om bestaande wettelijke regelingen te mogen aanpassen aan veranderde inzichten en verschuivingen in de politieke machtsverhoudingen. ‘Tot de beginselen van de rechtsstaat behoort niet de dictatuur van het bestaande, maar de mogelijkheid van verandering volgens wettelijke procedures.’

Het is nu geen 1979 of 1986 maar 2012. Wat zou Koen Koch gevonden hebben van de argumenten van de regering om geen excuses aan te bieden voor de deportatie van Joden in de Tweede Wereldoorlog (‘de regering beschikt niet over deskundigenadvies van die strekking’) of voor de dood van drie moslims die tijdens de val van de Bosnische enclave Srebrenica in 1995 vergeefs bescherming zochten bij Nederlandse VN-militairen (‘Kan niet, want het is nog onder de rechter’)?
Ach, daar mag je natuurlijk niet over speculeren, maar hier bedient onze regering zich zelfs niet van inhoudelijke, maar van de allermagerste procedurele argumenten. Het gesjacher met democratie en rechtsstaat stond de realist Koen Koch zeer tegen, het zijn twee idealen van de samenleving die te hoog zijn om oneerlijk te worden ingezet in het politieke discours. Van politici mag geëist worden dat ze, op straffe van zijn wijze verontwaardiging, juist oog hebben voor de ‘eerlijke’ machtsverhoudingen en de moed hebben om royaal af te rekenen met fouten uit het verleden – de dictatuur van het bestaande.

Geef een reactie

Aanmelden voor nieuwsbrief

* = verplicht veld
Voorkeur