6 februari 2012

Ko Colijn: Over Koen Koch
Hoort bij: Geen categorie — admin @ 09:35

Wat zou columnist Koen Koch van de argumenten van de huidige regering hebben gevonden?

In het rijke leven van de op 21 januari veel te vroeg overleden Koen Koch was ook plaats voor zeven gelukkige jaren waarin Vrij Nederland wekelijks van zijn pen kon profiteren. Op 24 november 1979 schreef hij zijn eerste column ‘Over Politiek’, op 29 november 1986 zijn laatste.

Gelukkig voor dit blad in de eerste plaats, omdat scherp denken, goed schrijven, superieure kennis en een bedachtzame realiteitszin in hem aanwezig waren. Die eigenschappen, gevoegd bij zijn bescheidenheid en vriendelijkheid, maakten hem ook als docent politicologie geprezen en geliefd.

In de koele ontleding van het politieke bedrijf liet de realist in Koch alle ruimte voor de factor machtspolitiek. Als hij zich opwond, was het over naïviteit en ontkenning van de machtsfactor. En nog méér over valse naïviteit en hypocrisie in het politieke discours. Want de clinicus Koch redeneerde wel machtsrealistisch, maar altijd vanuit principes van rechtvaardigheid, oprechtheid en afkeer van geweld – idealen die in de politiek wel eens aan ‘realistische oplossingen’ plegen te worden opgeofferd.

In zijn eerste column voor VN maakte Koen Koch zich kwaad over PvdA-coryfee Piet Dankert, die zojuist het Haagse pluche had verruild voor een zetel in het Europees Parlement. Dat was in 1979 net voor het eerst direct gekozen, maar zeker toen nog een tandeloze tijger. Dat was de door de wol geverfde Dankert blijkbaar ontgaan, want eenmaal gearriveerd in Straatsburg ‘ontdekte’ hij dat Europarlementariërs niets te vertellen hadden, behalve dat ze soms eventjes ritueel mochten meepruttelen over de zwaar gesubsidieerde Europese boterberg en melkplas.

Hij begon een hopeloze kruistocht die Koch in het verkeerde keelgat schoot. Onoprecht, misleidend en weinig geloofwaardig vond hij Dankerts campagne, als hij zich beter had voorbereid, had hij geweten dat het Europees Parlement een flutparlement was. Een campagne tegen de overproductieve boeren was gratuit en misleidend, een goedkoop alibi ‘ter maskering van zijn eigen parlementaire onmacht’, en krokodillentranen daarover waren volksverlakkerij. Koen Koch maakte zich boos over die hypocrisie: doen alsof je democratisch verontwaardigd was, terwijl je best wist dat de machtsverhoudingen, en niets anders, ervoor hadden gezorgd dat het EP nooit meer dan een ‘coiffure parlementaire’ (de woorden van Paul-Henri Spaak) mocht worden.

In zijn laatste column voor VN wond Koch zich op over een andere vorm van onoprechtheid. ‘Ik ben steeds weer verbijsterd over de ongelooflijk stumperige manier waarop zaken met de oorlog samenhangende worden afgehandeld.’ Aanleiding was de discussie over het recht op pensioen voor volksvertegenwoordigers in het algemeen en de foute weduwe Rost van Tonningen in het bijzonder. Voorstanders bedienden zich van het argument dat de beginselen van de rechtsstaat en verworven rechten zwaarder moesten wegen dan emoties. Ja, mensen die vonden dat zwarte weduwes hun pensioenrecht hadden verspeeld (en dat naoorlogse toekenningen teruggedraaid moesten worden), werd zelfs verweten het niet zo nauw met de rechtsstaat te nemen. Een gotspe en een ‘meer dan valse tegenstelling’ vond Koch, omdat het juist tot de beginselen van de rechtvaardigheid behoorde om bestaande wettelijke regelingen te mogen aanpassen aan veranderde inzichten en verschuivingen in de politieke machtsverhoudingen. ‘Tot de beginselen van de rechtsstaat behoort niet de dictatuur van het bestaande, maar de mogelijkheid van verandering volgens wettelijke procedures.’

Het is nu geen 1979 of 1986 maar 2012. Wat zou Koen Koch gevonden hebben van de argumenten van de regering om geen excuses aan te bieden voor de deportatie van Joden in de Tweede Wereldoorlog (‘de regering beschikt niet over deskundigenadvies van die strekking’) of voor de dood van drie moslims die tijdens de val van de Bosnische enclave Srebrenica in 1995 vergeefs bescherming zochten bij Nederlandse VN-militairen (‘Kan niet, want het is nog onder de rechter’)?
Ach, daar mag je natuurlijk niet over speculeren, maar hier bedient onze regering zich zelfs niet van inhoudelijke, maar van de allermagerste procedurele argumenten. Het gesjacher met democratie en rechtsstaat stond de realist Koen Koch zeer tegen, het zijn twee idealen van de samenleving die te hoog zijn om oneerlijk te worden ingezet in het politieke discours. Van politici mag geëist worden dat ze, op straffe van zijn wijze verontwaardiging, juist oog hebben voor de ‘eerlijke’ machtsverhoudingen en de moed hebben om royaal af te rekenen met fouten uit het verleden – de dictatuur van het bestaande.

30 januari 2012

Ko Colijn: Race om grondstoffen
Hoort bij: Geen categorie — admin @ 08:55

De beste nationale strategie is geen nationale strategie, maar een gezamenlijke.

Je hebt mensen die geloven dat oorlogen om godsdienst gaan, om etniciteit, om voedsel, om ideologie, om de macht zelf, en je hebt mensen die vinden dat het uiteindelijk allemaal om rijkdom gaat. Aan het eind van de vorige eeuw waarschuwde Samuel Huntington voor een clash of civilizations, de War on Terror veronderstelde een clash tussen fanatieke islamterroristen en seculiere westerse staten. En nu mag je het weer over een race om grondstoffen hebben.

Helemaal onlogisch is dat niet. De wereld wordt multipolair, nieuwe grootmachten melden zich, oude raken in de knel, de toegang tot bekende (olie) en onbekende (neodymium) grondstoffen wordt opnieuw verdeeld. En desnoods bevochten. Oude mercantilisten vonden dat landen alles in het werk moesten stellen om zoveel mogelijk goud en deviezen te verdienen, want daar konden ze oorlog mee financieren. Door een gewonnen oorlog zou je je weer veiliger voelen, zo was de gedachte, maar een handige strategie was het niet, want als iedereen er zo over denkt, is het altijd overal oorlog.

Op een gegeven moment begon men te snappen dat niet iedereen tegelijk een handelsoverschot kan nastreven. Maar helemaal afgezworen is de nationale reflex nog niet. Want probeer maar eens aan die logica te ontsnappen als anderen de verleiding van het economisch nationalisme ook niet kunnen weerstaan. Marxistische boeken die op mijn boekenplank staan te vergelen leggen uit dat kapitalistische staten niet eens de keuze hebben, maar niet anders kunnen. Ze zijn van nature expansief en komen elkaar tegen als rivalen op verre afzetmarkten en wingebieden voor grondstoffen.

In 1969 schreef Harry Magdoff zijn bestseller The Age of Imperialism. Hij ging nog een stapje verder dan Lenin. De buitenlandse politiek van de VS kon helemaal verklaard worden uit de drive om zich van noodzakelijke grondstoffen te verzekeren. Want die waren een levensvoorwaarde voor de economie, enzovoort. In die jaren stampten we erin dat ‘neo-imperialisme de noodzakelijke voorwaarde was voor de reproductie van het kapitalisme’ om te slagen voor het tentamen Theorieën van Buitenlandse Politiek. Revisionisten als het echtpaar Joyce en Gabriel Kolko meenden zelfs dat de Koude Oorlog ervoor was uitgevonden in Washington.

Meer relaxte theorieën waren er natuurlijk ook – je moest het buitenlands beleid vooral niet zien als een voorgeprogrammeerd systeem, maar als de uitkomst van honderden belangen die zich door de instituties worstelen en uiteindelijk iets opleveren wat we ‘buitenlandse politiek’ noemen. Maar relaxt of niet, links of rechts, altijd doken die grondstoffen wel weer ergens op.

Of het nou is om oorlog te vermijden, of positiever uitgedrukt, om welvaart te bevorderen, alle theorieën leiden eigenlijk tot de conclusie dat nationale strategieën vroeg of laat tot problemen leiden. De enige nationale strategie die ‘sensible’ is, is de erkenning van die waarheid als een koe. De beste nationale strategie is eigenlijk het zoveel mogelijk bevorderen van het tegendeel, de strategie van de collectieve actie.

Het kabinet-Rutte voert economische diplomatie hoog in het vaandel. Een nationale economische diplomatie? Ambtenaren en diplomaten halen een beetje hun schouders op: dat doen we toch al jaren? De ambassadeursconferentie brainstormt deze week over een ‘nationale grondstoffenstrategie’. Maar ook hier: de beste nationale strategie is geen nationale strategie, maar een gezamenlijke. Zelfs supermachten hebben de grootste moeite om zich onafhankelijk te maken van buitenlandse grondstoffenleveranciers. Importbeperkingen (staal of halfgeleiders, onder Reagan) en export beperkingen (China nu, zeldzame aardmetalen) hebben meestal maar een paar jaar effect. De prijzen gaan omhoog, nieuwe mijnen worden rendabel, de markt herstelt zich, probleem voorbij.

Precies dertig jaar geleden sloeg de westerse wereld alarm over de afhankelijkheid van schaarse buitenlandse grondstoffen. De drie sterkste economische blokken, de VS, Japan en de (huidige) EU waren voor vijftig procent of meer importafhankelijk van bauxiet, koper, nikkel, zink, tin, kobalt, ijzererts, mangaan en chroom. Het is allemaal goed gekomen omdat nationale strategieën niet werkten, sterker nog: niet bepleit werden. Verplichte literatuur in die jaren was The Rise of the Trading State van Richard Rosecrance. ‘Als regeringen zich (toen, KC) hadden gecommitteerd aan het verminderen of uitschakelen van die afhankelijkheid van elkaar, zou het netwerk van economische banden conflicten juist in de hand gewerkt hebben.’ Helaas is het tegenwoordig weer verleidelijk om te denken dat het tegendeel waar is.

22 december 2011

Ko Colijn: Het jaar van de pleinen
Hoort bij: Geen categorie — admin @ 10:55

Â
De belangrijkste gebeurtenissen van 2011 vonden allemaal plaats op een plein.

Â
Het is de tijd van de lijstjes. Wat waren de belangrijkste gebeurtenissen van het afgelopen jaar en wat die van komend jaar? En: waarom kwamen voorspellingen van vorig jaar niet uit, en hebben niet-voorspelde gebeurtenissen tóch de brutaliteit gehad te gebeuren? Nooit voorspelde iemand de val van de Muur, van Lehman Brothers en van Mubarak en Khadaffi in de dubbeldikke kerstnummers van het jaar ervoor.Zelf vind ik 2011 het jaar van de pleinen. Ik noem er vijf, die, in werkelijkheid of symbolisch, méér voor de wereld betekenden dan dat ze midden in een stad een verzamelplaats voor backpackers waren. Op deze pleinen hoort een monument omdat er iets ‘historisch’ gebeurde. En het woord zegt het al: we zullen dat pas achteraf vaststellen.

1. Op het Tahrirplein in Caïro ontwaakte de Arabisch Lente. De Tunesische venter Mohammed Bouazizi wees de weg, maar zijn land heeft de pech geen rol te spelen in het Midden-Oostenconflict. Eenmaal van de verbazing bekomen begingen we de naïeve vergissing door de doorbraak van de democratie en de humane rechtsstaat te begroeten. Dat viel tegen (ook elders): de militairen die op de eisen van het Tahrir-plein ingingen en dictator Mubarak opzijschoven, bleken grote moeite te hebben met de vooruitgang. Democratie lijkt in de MONA-regio een spel waarin goed georganiseerde fanatieke minderheden de macht kunnen grijpen. De tussenbalans een jaar later is dat er een derde weg bestaat naast reactionaire dictatuur in uniform en islamitisch-radicalisme (of zelfs Al-Qaida), in de vorm van een dappere, fragiele middenklasse die via sociale media en geweldloos protest aan de deur klopt. Voor de vrede minder goed nieuws. De tegenstelling tussen autoritaire stabiliteit en democratische onrust werd verontwaardigd als vals bestempeld, maar dat moet zich nog bewijzen. De stemming tussen Egypte en Israël is er niet beter op geworden.

2. Op het Parelplein in Manama (Bahrein) werden spoedig ook de grenzen van de Arabische Lente aangegeven. De revolutie kon worden bevochten (Libië, Jemen, misschien Syrië) maar ook gesmoord (Saoedi-Arabië) of vermorzeld. Ergens ligt een geopolitieke grens, zichtbaar in het drijvende staal van de Amerikaanse Vijfde Vloot die in Bahrein zijn thuisbasis heeft, en in de grote olieplatforms die belangen dienen die machtiger zijn dan legitiem binnenlands verzet. Op het Parelplein verstoorden de Bahreinse bulldozers en oproerpolitie het protest van tienduizenden opposanten van de sjiitische minderheid die regime change eisten. En toen maakten daar half maart ineens Saoedische militaire kolonnes, geholpen door andere Golfstaatjes, aan alle illusies een einde. Wij keken een beetje de andere kant op.

3. Op alle Beurspleinen ontsproot in 2011 de Occupy Movement, wereldwijd verzet tegen de schrijnend grote rijkdom van een schrijnend kleine minderheid, het 99%-1%-fenomeen. In meer dan honderd steden in meer dan honderd landen is er een protesterende tak, volgens sommigen zijn er wel drieduizend ‘filialen’. Al is dat indrukwekkend, en al is de publieke verontwaardiging tegen de private hebzucht terecht en legitiem, het verrassendst is toch de hulpeloze onmacht van de beweging. Een teken aan de wand: met morele onschuld kom je in de wereld van nu niet ver.

4. Op het Schumanplein (en de Wetstraat) in Brussel voltrok zich op 9 december het drama van de Britse aftocht uit Europa. Oude politiek in reverse zou je kunnen zeggen: Thatcher was dertig jaar geleden op vileine wijze voor uitbreiding van de Europese Gemeenschappen, juist om verdieping te voorkomen door een teveel aan stemgeluid. Nu valt Cameron in Maggies zwaard. Met de verdiepte EU-min-1 gooit Engeland zichzelf eruit. Ik voorspel dat Nederland daar spijt van krijgt en in een oude Luns-reflex vervalt: Londen erbij houden om een Duits-Franse directoraat te temmen.

5. Hoe belangrijk pleinen in 2011 waren drong op de valreep tot Russische autoriteiten door: een voor onmogelijk gehouden demonstratie van vijftig- à honderdduizenden die de verkiezings-charade van Poetin-Medvedev zat zijn, werd op 9 december bangig van het Revolutie- naar het Moerasplein gedirigeerd. Hoe veelzeggend is zo’n move. Zó geregisseerd als de corruptocratie is, zó lamgeslagen als de Russen eronder zuchtten; zo verrassend en verontrustend moet het volksprotest op Poetin zijn overgekomen.

Het lijkt duidelijk: autoriteiten zullen in 2012 aan pleinvrees lijden.

12 december 2011

Ko Colijn: Het Genève-probleem
Hoort bij: Geen categorie — admin @ 08:52

Sinds een jaar of tien is er met biologische wapens iets merkwaardigs aan de hand.
Het antibuitenlandbeleid van de PVV ten spijt, geldt Nederland nog steeds als een keurig land dat rust, reinheid en regelmaat in de wereld promoot.­ We begeven ons niet gauw op glad ijs. We zijn voorzichtig en liefst voorbeeldig. We willen andere landen graag laten zien hoe je je hoort te gedragen in de internationale politiek.

Veel invloed hebben we niet, dus we moeten het slim doen. Daar zijn verschillende manieren voor. Je kunt proberen een permanente stoel te krijgen aan de tafel van de G20, maar dat lukt de laatste tijd slecht. Of je doet mee in de talloze internationale overlegclubs en probeert even boven jezelf uit te stijgen door voorzitterschappen te bemachtigen. Met tact en geduld kun je het dan ver brengen. In de zijtonelen van de wereldpolitiek bereik je soms meer dan in de schijnwerper van het grote spel. Een voorbeeld is ons huidige voorzitterschap van de Nuclear Suppliers Group, achter de schermen bezig met de vraag welke gevoelige nucleaire technologie aan welke landen mag worden verkocht, en welke niet. Ander voorbeeld: Nederland is nu voorzitter van de overlegclub die over het verbod op biologische wapens gaat. In het slaperige Genève, waar het ontwapeningsfiliaal van de VN is gevestigd, is deze week de vijfjaarlijkse conferentie bijeen die de wereld moet beschermen tegen oorlogvoering met antraxbrieven, vogelgriep en varkenspest. Sinds vorige week is er sprake van opwinding aan de voet van de Mont Blanc, want Hillary Clinton maakte bekend de conferentie te komen toespreken. Wat voert haar naar Genève?

Een precaire zaak wellicht. Sinds een jaar of tien is er met biowapens iets merkwaardigs aan de hand. Aan de ene kant zorgde 9/11 voor grote angst: zouden bioterroristen toeslaan met poederbrieven en konden ze dodelijke ziekten via de airco of waterleiding verspreiden? Ja, maar dat leidde niet tot wat je misschien zou verwachten. De Biologische Wapen Conventie lijdt al sinds 1975 aan een opvallende zwakte: het mist een zogenoemd verificatiemechanisme (zeg maar toezicht). Daar zou in 2001 juist over onderhandeld worden. Maar poederbrieven of niet, George Bush jr. weigerde in dat jaar verder te onderhandelen over zulke controleregels, en sindsdien is het gesprek over biologische wapenbeheersing een beetje op een dood spoor gekomen. Het argument van de VS was dat het ondoenlijk was alle activiteiten in de gaten te houden die iets met biologische wapens te maken konden hebben. Je kon niet alle ziekenhuizen, laboratoria, biologiepractica, voedselfabrikanten en de hele geneesmiddelenindustrie onder internationaal toezicht brengen. En dat wilde Bush ook om een andere reden niet, er waren te grote commerciële belangen mee gemoeid. Geen pottenkijkers s.v.p.

Met enige spanning wordt tegen de huidige conferentie opgezien, al was het maar omdat het Nederlandse voorzitterschap in de aanloop behoedzaam, maar toch, had gesuggereerd dat de discussie over verificatie misschien weer eens moest worden opgepakt. Veel landen zijn teleurgesteld in de regering-Obama, die zich in dit opzicht nauwelijks anders bleek op te stellen dan Bush. De Ameri-kanen willen het biogevaar liever zien als een wereldwijd gezondheidsprobleem, eerder op te lossen door mooie woorden als transparantie en vertrouwenwekkende maatregelen, dan door harde inspectiemaatregelen met wapeninspecteurs in ziekenhuizen.

Deskundigen zijn nieuwsgierig of Clinton nu alsnog met concessies naar Genève komt, of aanwipt om de vergadering nog eens in te peperen dat de Amerikanen niets van zo’n verificatiesysteem willen weten. Pikant is dat in de VS juist schrik en discussie is ontstaan over een in Nederland ontwikkeld, levensgevaarlijk, van dier op mens overdraagbaar vogelgriepvirus. Dat is in opdracht van de (nota bene Amerikaanse) National Institute of Health gebeurd. De Rotterdamse vinding is omstreden: ze bewijst de bestrijding van biowapens een dienst omdat nu is aangetoond dat een H5N1-pan-demie van dier op mens mogelijk is, dus een nuttige waarschuwing. Maar anderen vinden het een (te) gevaarlijk experiment omdat het virus op de een of andere manier in verkeer­de handen zou kunnen vallen. Deze kwestie is nu voorgelegd aan de Amerikaanse National Science Advisory Board for Biosecurity. Maar had dat niet vóór het experiment moeten gebeuren in plaats van achteraf? Volgens een rapport van wapenexpert John Stein-bruner (Controlling Dangerous Patho-gens, 2007) moeten experimenten uit deze risicoklasse vooraf getoetst worden, want de veiligheidsbelangen kunnen té groot zijn. Het Genève-probleem in een notendop.

1 december 2011

Ko Colijn: Samen naar de ondergang
Hoort bij: Buitenland, EUROPA — admin @ 16:20

 Europa speelt een eindspel van zelfdestructie, met de eurozone en de hele Europese Unie als inzet

Al jaren worden we voorbereid op de langzame val van het Westen en de machtsoverdracht aan de Aziatische kolossen. Maar langzaam gaat het niet meer, want het lijkt wel of Europa en de Verenigde Staten de verleiding van het masochisme niet kunnen weerstaan. Veel verschillen en maar één grote overeenkomst: innerlijk verlamd gaat de terugtocht nu wel heel snel, en de twee spelen eensgezind met vuur om op het laatste moment aan de vlammen te ontkomen.

De grootste vijand van de VS is ons begrotingstekort, waarschuwde stafchef Mike Mullen afgelopen zomer. Inderdaad, de bomen groeien ook in de VS niet meer tot in de hemel. Al is het land nog veruit de grootste militaire macht ter wereld, het economische verval gaat jaarlijks met procenten tegelijk. Tien jaar geleden produceerde Amerika nog bijna een derde van de wereldoutput, nu is dat nog maar een vijfde. De overheidsschuld verdubbelde intussen van 6000 miljard dollar naar het nauwelijks te bevatten bedrag van 14000 miljard dollar nu. Er moet dus bezuinigd worden, om het simpel te zeggen. Zelfs het Pentagon gaat de komende tien jaar 450 miljard dollar bezuinigen op defensie. Europa is kind van de rekening, want president Obama zei vorige week in Canberra: ‘Lagere defensie-uitgaven van de VS zullen niet, ik herhaal, niet ten koste gaan van de Asia-Pacific’. Het wegzakkende Amerika heeft besloten om zich te concentreren op China, de Atlantische Oceaan wordt stiller.

Misschien had Obama daar in het Verre Oosten nog de hoop dat een supercommissie van Republikeinen en Demo­cra­ten een compromis zouden vinden over diezelfde bezuinigingen. Maar tot ieders schrik faalden ze door Repu­blikeinse kortzichtigheid. De consequentie daarvan is dat er nu niet 450 miljard dollar, maar liefst 600 miljard dollar zal moeten worden bezuinigd op defensie. Hoog spel, want de Repu­blikeinen speculeren erop dat defensie – heilige koe – wel met een list zal worden ontzien, maar Obama pokert mee en weigert dat. ‘No way,’ heeft hij de Republikeinen laten weten. Als beiden de hakken in het zand zetten, staat Amerika volgens Leon Panetta (minister van Defensie) ‘een holle krijgsmacht die zijn missies niet meer kan uitvoeren’ te wachten. Dan heeft de VS volgens hem ‘het kleinste grondleger sinds 1940’ en de ‘kleinste marine sinds de Eerste Wereldoorlog’. En om een paar gevolgen te noemen die ook Nederland raken: dan zouden zomaar het JSF-programma en het raketschild in Europa kunnen sneuvelen. Al kun je dat afdoen als het vertrouwde blufspel van dreigen (en niet doen), het geeft wel aan dat de politieke verhoudingen in het jaar van de presidentsverkiezingen niet verziekt genoeg kunnen zijn. Wat wel zeker is: Europa mag toekijken, áls de VS zichzelf nog uit de malaise weet te trekken, dan zal het geld eerst naar de Pacific gaan en niet meer deze kant uitrollen.

Intussen speelt Europa zelf ook een adembenemend eindspel van zelfdestructie. Nu niet met Griekenland, Italië of Zuid-Europa, maar met de eurozone en de hele Europese Unie als inzet. De beleggers vluchten nu uit de euro en speculeren tegen de politici zelf die maar niet met de Grote Oplossing voor de crisis komen. Die wordt tergend langzaam voorbereid door Angela Merkel, die niets minder wil dan een strenge Europese begrotingsunie. Daarvoor is een verdragswijziging nodig – een nachtmerrie na het referendumparcours dat het Verdrag van Lissabon moest doorlopen. Mutti zwicht niet voor de kortetermijnoplossingen die economen haar afsmeken: de geldpers en het uitgeven van euro-obligaties. Die jagen de Duitsers de stuipen op het lijf omdat ze de inflatie zouden aanwakkeren respectievelijk de rente zouden verhogen, zonder dat daar harde garanties op begrotingsdiscipline van de zwakke eurolanden tegenover staan. Dus eerst die garanties, vindt Merkel, dan misschien pas die ‘stabiliteitsobligaties’.

Hoog spel, want haalt de euro intussen 9 december, de volgende EU-top in Brussel? Banken zijn al bezig om noodscenario’s te bedenken na een collaps van de euro. De Duitse reisgigant TUI sluit contracten af met Griekse hotels in drachmen. Ondertussen wordt er lustig gespeculeerd over Europa-scenario’s die een halve eeuw lang, en zelfs een maand geleden, volstrekt ondenkbaar waren. Zoals: Europa dat in drie schrootbrokken uiteenvalt: Steuropa, Zweuropa en Beuropa. De triple-A-landen Duitsland-Frankrijk-Nederland-Oostenrijk-Luxemburg-Finland zouden verder kunnen gaan met een sterke euro. Een tweede brok van zwakke eurobroeders, en een derde dat buiten de euro verder moddert. Of een eurozone die land voor land afkalft, te beginnen met Griekenland. Het ondenkbare als laatste redmiddel, soms werkt het.

24 oktober 2011

Ko Colijn: Geheim omdat het geheim is
Hoort bij: Geen categorie — admin @ 09:00

Iran wordt beschuldigd van een moordcomplot tegen de Saoedische ambassadeur in Washington. Hillary Clinton: ‘Deze samenzwering was een flagrante schending van het internationale recht en de Amerikaanse wet en een gevaarlijke escalatie van de Iraanse gewoonte om politiek geweld te gebruiken en te fungeren als sponsor van terrorisme.’

Allemaal misschien waar en zeer ernstig, maar de vraag is hoe zeker we dat kunnen en mogen weten. Temeer daar minister Clinton de samenzwering een ‘bedreiging van de internationale vrede en veiligheid’ noemde, de standaardinleiding om andere landen aan te sporen de dader aan te pakken. Links en rechts wordt getwijfeld aan het verhaal, dat zelfs door minister Eric Holder (Justitie) Hollywoodachtig werd genoemd. Kenneth Katzman, Midden-Oostenspecialist van het onderzoeksbureau van het Congres, gelooft er ook bar weinig van:

- Iran zou volgens de VS de aanslagen hebben uitbesteed aan een Mexicaanse drugsbende. Dat doet Iran nooit, het zou voor dergelijke avonturen altijd een moslimgezelschap als Hezbollah inhuren. Iran weet dat de Mexicanen zijn geïnfiltreerd door agenten van de Amerikaanse Drugs Enforcement Agency.
- De uitvoerder zou een klungelige Texaans-Iraanse autoverkoper zijn, ook tegen de Iraanse gewoonte in. De Quds-brigade van de Revolutionaire Garde heeft zijn eigen klusjesmannen.
- Iran is niet zo gek zich de militaire vergelding van de VS op de hals te halen voor een vuile aanslag op een restaurant waarbij waarschijnlijk veel meer doden zouden vallen dan ’slechts’ de Saoedische ambassadeur.

‘De dodenlijst is geheim, je kunt niet aantonen dat je erop staat’
Nu zou je nog kunnen redeneren dat Iran zo uitgekookt is dat het onwaarschijnlijke nu juist de verrassingsoverweging achter de terreurtactiek kan zijn geweest. Helemaal uitsluiten kun je een wild scenario nooit – de VS zegt hard bewijs te hebben. Probleem is ook niet om een geschiedenis van Iraans wangedrag te construeren, die het samenzweringsverhaal stutten. In 1979 bezetten Iraanse studenten de Amerikaanse ambassade in Teheran en gijzelden 444 dagen lang diplomaten. In april 1983 werd de Amerikaanse ambassade in Beirut opgeblazen. Later dat jaar waren het hoofdkwartier van de US Marines en Franse legerbarakken aan de beurt, waarbij honderden doden vielen. In 1994 werd het Joods Cultureel Centrum in Buenos Aires verwoest – vijfentachtig doden en driehonderd gewonden. En in 1996 kwamen bij aanslagen op de Khobar Towers in Saoedi-Arabië negentien Amerikaanse soldaten om. Bij al deze aanslagen, de highlights uit een nog langere vervolgreeks van beschuldigingen over Iraans geweld of regie achter geweld in Irak en Afghanistan, gingen zware verdenkingen uit naar Teheran, maar – met uitzondering van geestelijke lof van Khomeiny voor de bezetting van de ambassade in 1979 – zijn keiharde bewijzen nooit publiek geworden.

En dat wordt lastig. Iran moet eindelijk eens worden gestraft, vindt de VS. Maar nu Clinton daarvoor verwijst naar schending van het internationale recht en de Amerikaanse wet, is het goed even stil te staan bij de discussie die juristen momenteel in de VS zelf voeren over het recht dat de regering-Obama zichzelf toekent om willekeurige personen via geheime memo’s tot ‘vijand’ te bestempelen en met onbemande vliegtuigjes naar het hiernamaals te zappen. Aanleiding was de uitschakeling van Al-Qaida-leider Al-Awlaki drie weken geleden. Bij deze Amerikaanse Jemeniet vond de regering dat zij zelfs eigen staatsburgers op de dodenlijst mag zetten. Het memo waarin dat stond, is geheim.

Ik vroeg me twee weken geleden af waarom Amerikaanse ‘terroristen’ het voor hun rechtsbescherming blijkbaar niet van het internationale recht moeten hebben. Een lezer van deze column die werkzaam is bij het New Yorkse advocatenkantoor Bernstein Litowitz Berger & Grossmann wees me erop dat in de VS zelf het internationale recht niet afdwingbaar is en dus niet relevant in de overweging of iemand door een CIA-raket kan worden gedood. De Bill of Rights daarentegen wel, al probeert de regering geïnteresseerde burgers met een beroep op ’state secrets’ buiten de deur te houden. ‘In het kort komt het erop neer dat de dodenlijst geheim is, je daarom niet kunt aantonen dat je erop staat, en je dus geen aantoonbaar recht hebt om een juridische procedure te beginnen.’ Wat ook de waarheid is achter beschuldigingen van samenzwering en besluiten om moorden te rechtvaardigen: we krijgen er geen vinger achter. Regeringen bedienen zich maar al te graag van argumenten die zij zelf geheim verklaren omdat zij zelf om geheime redenen vinden dat ze het recht hebben om die argumenten geheim te verklaren.
Door Ko Colijn / 21 oktober 2011 /

28 maart 2011

Ko Colijn: De rechtvaardigen vs de realisten
Hoort bij: Geen categorie — admin @ 08:26

Achter de roes van wat al heroïsch de Slag Om Libië werd genoemd, en waarin natuurlijk niemand het voor de dictator opneemt, worden nog een paar ongemakkelijke discussies gevoerd. De eerste gaat over de vraag of we ons überhaupt in deze interventie hadden moeten storten. Weliswaar nu achterhaald door de feiten, maar wijs en nuttig voor de volgende keer. Aan de Arabische revoluties is nog lang geen einde gekomen, en het dilemma van de humanitaire interventie zal ook buiten MONA (Midden-Oosten en Noord-Afrika) steeds blijven terugkomen.

In Nederland merken we niet zo heel veel van die discussie. Het is goed tegen kwaad, dus scharen we ons achter goed. Iedereen heeft een hekel aan Khadaffi, en Nederland – misschien nog wel meer natie van rechtvaardigheid dan van recht – vindt dat zo’n ingreep moet. Daar zijn inderdaad sterke argumenten voor, maar ook tegenargumenten en dan zou je dus een afweging verwachten. Zelfs in landen die nu vooroplopen in Odyssey Dawn – waarom heet deze operatie toch zo, moet dit een tienjarige zoektocht worden? – wordt die afweging rustig en nuchter gemaakt.

De dag nadat resolutie 1973 in de Veiligheidsraad was aangenomen, schrijft Max Hastings, buitenlandcommentator van de Financial Times, dat Amerikaanse steun aan de interventie ‘no more than a cynical gesture’ is. Westerse leiders noemt hij ‘foolish’. Wie intervenieert moet op ten minste twee vragen ‘ja’ kunnen antwoorden: is er een vitaal nationaal belang mee gediend en wordt die interventie in de betrokken regio wel als legitiem beschouwd? Het is duidelijk dat Hastings twee keer ‘nee’ antwoordt. Het hart op de goede plaats hebben is niet genoeg voor een interventie – dan is het sturen van gevechtsvliegtuigen niet meer dan ‘een giro naar Oxfam’. Het is niet ons belang om ‘kolonel Khadaffi te vernietigen, zonder enig benul te hebben van wat er daarna moet gebeuren’.

Door een intelligence failure hebben Libië en trouwens heel MONA het Westen overvallen. En het is levensgevaarlijk om je lot te verbinden aan een stelletje opstandelingen waarvan je niets weet. Alle dankbaarheid van de Libische rebellen (‘een twee, drie, merci, Sarkozy!’) zal binnen de kortste keren verdwenen zijn. Dat moesten we nu toch wel hebben geleerd van Irak en Afghanistan. De kern van de zaak is – terecht of niet – dat het Westen impopulair is in de moslimwereld zolang Amerika de Israëlische onderdrukking van de Palestijnen blijft steunen. Wat is dan wél het belang van het Westen, zegt Hastings? Een fatsoenlijke nooduitgang in Irak en Afghanistan en bovenal een decente oplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict.

- Het hart op de juiste plaats is niet genoeg voor een interventie
Ook in de VS wordt zo’n discussie zonder schaamte gevoerd. De generaal die in 1999 een vergelijkbare operatie leidde, Wesley Clark, ziet niets in de interventie en heeft minder dan tien woorden nodig voor de toelichting: ‘Libya doesn’t sell much oil to the United States.’ De baas van Al Jazeera, prettig om naar dat tv-station te kijken overigens, zegt dat het er nu juist om gaat dat de Arabieren hun eigen revoluties maken, ons helpen is contraproductief. De Amerikaanse ambassadeur bij de NAVO, Ivo Daalder, vond twee weken geleden dat een vliegverbod niet genoeg zou zijn om Khadaffi te wippen. Maar verder dan het beschermen van de burgers willen de Amerikanen niet gaan – stafchef Mike Mullen zei zelfs zondag na de kruisraketten nog dat regime change wat hem betreft niet het doel van de Amerikaanse hulp aan Odyssey Dawn is. Duidelijker oneens kon hij het niet zijn met Hillary Clinton, die het vertrek van Khadaffi tot enige uitkomst verklaarde. En als de interventie wel mocht werken, dan komen we toch weer uit bij de tegenargumenten van Hastings: je weet niet wat je ervoor in de plaats krijgt.

Nog zo’n akelige discussie waar rechtvaardigheid en realisme met elkaar botsen, is of het nu zo verstandig was om Khadaffi bij voorbaat eigenlijk maar één perspectief voor te houden, namelijk dat van het Strafhof in Den Haag. Geen mens die hem dat niet toewenst, maar het maakt de kans dat hij nu zijn knopen telt en zich overgeeft niet groter.

En dan discussiëren de ‘rechtvaardigen’ ook nog onder elkaar. Want ze hebben er geen moeite mee dat Khadaffi nu militair wordt aangepakt, maar waarom gebeurt dat dan niet in Bahrein en Jemen? En in Darfur, en waar blijft de no-fly zone boven Ivoorkust en hoe zit het met ‘all necessary means’ om Mugabe uit Zimbabwe te helpen?

Antwoorden waarop in nog geen tien jaar het antwoord zal worden gegeven. Het gaat me nu niet om de vraag wie er gelijk heeft. Maar wel om het feit dat ik me prettiger voel bij al die akelige discussies dan bij de groepsroes van het ‘goed’.

16 februari 2011

Ko Colijn: Halverwege de revolutie
Hoort bij: Geen categorie — admin @ 10:41

Het is geen goed idee om een column halverwege een revolutie te schrijven. Je moet het er ruim voor, of ruim na doen. De Jeugd- en Jasmijnrevolutie is aan het eind van het begin, nog niet eens het begin van het eind, laat staan achter de rug.

Zuinig gezegd is in Egypte het ene militaire regime vervangen door het andere. Het andere heeft beloofd om beter te zijn dan het ene, maar de personen zijn hetzelfde en de uniformen zijn niet verwisseld. De grondwet is buiten werking gesteld, we moeten het nu met decreten doen. Dat ze genummerd worden stemt niet tot optimisme.

Ruimgeestig gezegd wordt de persvrijheid ingevoerd, worden er vrije verkiezingen in het vooruitzicht gesteld, de staatsomroep draait leuke muziek en zendt straatinterviews uit, en je mag dansen en zoenen op straat. De Opperste Militaire Raad heeft nimmer met scherp geschoten, de Moslim Broederschap schuift geen presidentskandidaat naar voren, het gezag heeft beloofd zich aan alle internationale verdragen te houden dus ook aan het vredesakkoord met Israël. Ik hoop er het beste van.

De revolutie laat zich niet voorspellen, en misschien zelfs niet achteraf uitleggen.

Les één: kleine vonken leiden tot grote branden. In het in de wereldpolitiek onbeduidende Tunesië stak een marktkoopman zich in brand. Onder het brandglas van de moderne media werd het symbool van de onschuldige wanhoop razendsnel uitvergroot tot landelijke vuurstorm die zich met gemak door landsgrenzen boorde.

Les twee: je kunt een revolutie zonder leider beginnen, er een dictator mee verjagen, maar haar niet voltooien. Of zal dit toch een leiderloze revolutie zijn? Dat moet nog blijken, maar het is een feit dat Mohammed el-Baradei twee weken geleden op het Tahrirplein naliet wat Boris Jeltsin in 1991 wel op het juiste moment deed: bovenop een tank klimmen. Sommigen vinden een leider niet nodig, een logo voldoet tegenwoordig al. De stervende Neda in Teheran 2009, de brandende Mohammed Bouazizi in 2011. Zij maakten de protesteerders immuun voor bedreiging en intimidatie, maar kunnen geen president worden, zoals Havel of Walesa of Jeltsin. Dat waren onvolmaakte stervelingen, maar ik denk dat ze in het vervolg van de revolutie meer voor hun land betekenden dan een volmaakt onsterfelijk logo.

Les drie: Egypte – het land met de geheimste en meest repressieve veiligheidsdienst in de regio – nam het protestvuur over, andere gesloten dictaturen en autoritaire koninkrijken staan nog niet in brand, maar zoeken nerveus naar hun brandverzekering, wetend dat ze niet geïsoleerd zijn. Al weten we niet hoe het zal aflopen in Egypte, we weten nu dat regime change niet (alleen) een zaak is van gewapende interventie van buitenaf (Irak 2003) maar ook het gevolg kan zijn van een ongewapende interventie van binnenuit.

Les vier: we waren getuigen van tot nu toe bijna geweldloze revoluties. Toch waren militairen doorslaggevend, zij het meer door wat ze niet deden dan door wat ze wel kunnen. Ze lieten de betogers hun gang gaan, weigerden te schieten, en pleegden een soft coup toen Moebarak op het laatste moment off script ging en op 11 februari zijn volk vaderlijk toesprak en toch nog probeerde te ringeloren. Ze hebben veel te verliezen: goodwill bij het volk, maar ook de schandelijke privileges van het ancien régime. Ik hoop er alweer het beste van.

Les vijf: iedereen zegt tegenwoordig dat er geen scheiding is tussen binnen- en buitenlandse politiek. De gebeurtenissen in Egypte lijken dat te bevestigen. Als de revolutie wordt gekaapt door moslimfundamentalisten, zou het vredesakkoord met Israël op de tocht staan. Maar dat is áls. De eerste toezegging die de Opperste Militaire Raad op 12 februari deed, was die scheiding juist wél maken. Alles is bespreekbaar, maar tornen aan de internationale verplichtingen is er niet bij. De geschiedenis zal leren of de militairen deze keuze zelf maakten, of door de VS werden beïnvloed. Machtspolitiek is impopulair, maar ook niet dood. De macht van de VS is impopulair, maar ook niet nul.

Les zes: de oppositie in Egypte werd geleid door jeugd, uitgerust met seculiere middelen (Facebook, iPhone), bevlogen door seculiere idealen (mensenrechten, vrijheid en democratie) en geladen met seculiere haat (tegen corruptie, machtsmisbruik, armoede, werkloosheid, sekseongelijkheid). Er is, kortom, een oppositioneel alternatief voor moslimfundamentalisme en anarchie. Het Al Qaida-model heeft er een concurrent bij gekregen.

Les zeven: we werden weer verrast. Na de Val van de Muur, nine-eleven, en de omhelzing van Ruud Gullit door Ramzan Kadyrov heeft de geschiedenis ons weer overvallen. Dat noemen we black swans, een mooie metafoor die ons geen steek verder helpt omdat we bij zwanen altijd in witte waarschijnlijkheid denken.

29 november 2010

Ko Colijn: De reactie van Ben op Ben
Hoort bij: Geen categorie — admin @ 11:54

Deze week wordt het WRR-rapport ‘Aan het buitenland gehecht’ gepubliceerd. Rapporten van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid halen, eerlijk gezegd, niet altijd de voorpagina maar deze keer misschien toch wel. Al was het maar door het curieuze feit dat het rapport is geschreven door Ben Knapen (tot oktober lid van de WRR) en op 30 november in sociëteit De Witte wordt aangeboden áán Ben Knapen, die intussen staatssecretaris van Buitenlandse Zaken is geworden.

Juist daarom is het interessant om te kijken wat Knapen aan Knapen adviseert, en hoe het nu verder moet met Nederland.

Wel, dat is dan hierbij bekend. Aan het buitenland gehecht is een knappe analyse – met beleidsaanbevelingen die je leuk naast het regeerakkoord en het gedoogakkoord kunt leggen. Dat geeft prikkelende verschillen. Ik denk dat onderzoeker-Ben een lastig rapport heeft geschreven voor bewindsman-Ben.

Ik moet kort door de bocht gaan: ik vrees dat Geert en Barry er moeite mee hebben en Mark misschien ook. Het kabinet-Rutte is, en echt niet alleen gedwongen door de PVV, heel Europa-kritisch. De eerste aanvaringen met Brussel heeft het al achter de rug. Het kabinet-Rutte is überhaupt niet zo internationalistisch ingesteld: wel mooie woorden maar ondertussen grote bezuinigingen op Defensie en Ontwikkelingssamenwerking. Wat dat betreft is de titel van het WRR-rapport al een klinkende waarschuwing: er is nauwelijks een land in de wereld te vinden dat méér afhankelijk van het buitenland is dan het onze.

Onze agenda moet volgens de WRR uit drie lijstjes bestaan. Naast vitale belangen (belangrijk en exclusief voor het voortbestaan van Nederland, zoals oorlog en vrede) zijn er zogenaamde verléngde nationale belangen (ook belangrijk, maar gedeeld met andere landen, zoals maatregelen tegen de stijging van de zeespiegel). En dan zijn er nog niches, de dingen waarin Nederland echt goed is en het verschil kan maken in de overvolle marktplaats van internationaal overleg. Agro, dijken, baggeren en vredestribunalen.

Hoe moet het kleiner wordende Nederland zich in de groter wordende wereld met deze agenda weren? Volgens de WRR moet dat nu uitgerekend via Europa, bij het tijdgeestgevoelige kabinet-Rutte net niet de meest populaire route.

- De niches waar Nederland echt goed in is: agro, dijken, baggeren en vredestribunalen.
In een multipolaire wereld heeft een landje als Nederland weinig te vertellen, dus alles moet via de band van een sterk Europa. Wie daar invloed heeft, speelt mee. Maar ‘Brussel’ is een ingewikkelde stapelmarkt waar je alleen met intelligent netwerken en constructief meedenken meetelt. De gemakkelijke reflex van ‘nee’ zeggen werkt niet. Het WRR-rapport schrijft dat Europa ‘de dominante arena’ is en ‘ons primaire vangnet in de groeiende onvoorspelbaarheid van de internationale betrekkingen’. Niks Europa-bashen, Nederland moet juist ‘excelleren’ in Brussel en een constructieve rol spelen in Europa. En ja, Barry en Geert, ‘aan de zijlijn vaststellen dat Europa tekortschiet’ helpt niet, want Europa zijn wij zelf.

De WRR deelt ook nog een tikje uit naar het eenzijdige ons-geld-terug-beleid van Gerrit Zalm (nog steeds een doelstelling uit het regeerakkoord!), want je kunt wel vijftien jaar lang hameren op je eigen belang, maar het is veel slimmer om ‘de eigen belangen te presenteren als gezamenlijke, Europese belangen’. Een lidstaat die constructieve voorstellen doet ‘is een aangenamer gesprekspartner dan een die vooral afwacht, remt en piept’.

Zo’n Europa-beleid vereist een mentale omslag die we in het regeerakkoord-Rutte nog niet aantreffen.

Moet Nederland het dan als vanouds van de NAVO hebben? Nee, dan was de premier het afgelopen weekend in Lissabon op het verkeerde feestje. De NAVO is nog wel nodig maar ze ‘is niet meer het anker dat het was’ en helaas, ‘een overkoepelend gewelf boven internationale betrekkingen, het dominante ankerpunt, kan de organisatie ook voor Nederland niet meer zijn’.

Opmerkelijk is dat Knapen, die Europa in zijn portefeuille heeft, zichzelf adviseert die functie eigenlijk meteen maar weg te geven aan premier Rutte. Onvermijdelijk in het functioneren van de Europese Raad anno 2010. ‘Het ministerie van Algemene Zaken zal in feite functioneren als een ministerie van Algemene en Europese Zaken.’ Het ministerie van Buitenlandse Zaken moet überhaupt een stap terug doen want is ‘niet langer de onontbeerlijke poortwachter in het verkeer tussen ons land en de rest van de wereld. Wie dat toch nastreeft oogst voortdurend frustratie’.
Ben erg benieuwd naar de reactie van Ben op Ben!

Ko Colijn/ Vrij Nederland/ 29 november 2010